categorie-archief: woordkeuze

Van coronavirus naar corona

“Voor 80-plussers met corona is de ic eigenlijk al geen optie meer”. Deze kop stond 29 maart boven een stuk op de website van de Volkskrant. Twee dingen vallen hierbij op, beide eerder opgemerkt in reacties op het Taalpraatblog van twee weken geleden (Coronataal): er staat corona in plaats van het coronavirus en eigenlijk zou het niet corona (het virus) maar COVID-19 (de ziekte) moeten zijn. Voor Taalpraat is de volgende vraag interessant: waar komt die korte vorm vandaan?

lees verder

Vaktaal in de media

Zodra deskundigen aan het woord komen in de media moet je oppassen. Niet omdat ze onwaarheden zouden vertellen, maar omdat ze soms woorden gebruiken die voor veel taalgebruikers als Chinees in de oren klinkt. Dat is op zich niet verwonderlijk: deskundigen zijn gewend vaktaal te gebruiken en moeten in de media complexe dingen uitleggen die voor hen dagelijkse kost zijn. Vaktaal is bijzonder handig, maar dan wel tussen deskundigen onderling. Zodra ze dingen aan leken moeten uitleggen, wordt het een stuk ingewikkelder. In al het nieuws rondom het coronavirus komt ook de nodige vaktaal voor. De vraag is of die altijd nodig is. En als vaktermen toch moeten worden gebruikt, is het fijn als ze worden uitgelegd. Vandaag een paar specialistische begrippen die de aflopen tijd in de media werden gebruikt.

lees verder

Ja of nee?

In het appartementencomplex naast het onze hoorde ik vorige week in het voorbijgaan een oudere man tegen een meisje iets zeggen waarom ik moest glimlachen. Het ging waarschijnlijk om een opa met zijn kleindochter. Ik kende ze niet. Het meisje had zojuist iets gezegd dat ik helaas niet had gehoord en de man reageerde met: “Ja, nee. Wacht even.” Mensen doen dat vaker. Antwoorden met “Ja, nee”. Is dat niet gek?

lees verder